|
De auteursnaam E.T. Alii van het boek Godsdienstpedagogiek. Dimensies en spanningsvelden staat voor een schrijverscollectief dat dit boek op een buitengewoon originele wijze heeft samengesteld, door zich gezamenlijk terug te trekken en afwisselend in gesprek te gaan en te schrijven.
Het boek is bedoeld om eerdere handboeken van Dingemans en Ploeger te vervangen omdat die al uit de jaren 90 van de vorige eeuw stammen. Het boek is bij de tijd omdat het zich instelt op een samenleving waarin meer religies aanwezig zijn, maar waarin tegelijk het belangrijkste kenmerk is dat jongeren geen affiniteit met religie meer hebben.
Een belangrijk, actueel boek dus; ook met het oog op discussies over ons Nederlandse onderwijsbestel. Prof. dr. W.B.H.J. van de Donk, scheidend voorzitter van de WRR, hield onlangs een lezing met als titel: Religie en onderwijs. Over verhoudingen en verbindingen in het publieke domein. Hij sprak deze lezing uit bij de opening van het academisch jaar aan de Protestantse Theologische Universiteit in Kampen. Bij de vormgeving van het onderwijsbestel, zo pleitte Van de Donk, moeten nieuwe inzichten uit theologisch en pedagogisch denken over de vorming van religieuze identiteiten in een multireligieuze samenleving worden toegepast. Een goede graadmeter voor deze ‘nieuwe inzichten’ hebben we nu dus in de hand; het nieuwe handboek godsdienstpedagogiek van E.T. Alii.
Maar bieden deze inzichten enig houvast? En: wat te doen met de wens van groepen in onze samenleving om in een multireligieuze context toch monoreligieuze vorming voor te staan?
Op dit moment wordt in de godsdienstpedagogiek overwegend uitgegaan van een multireligieus kader. Het idee is dat leerlingen in hun godsdienstige vorming kunnen leren van elkaar. Volgens het model van M. Grimmitt (besproken in het eerste hoofdstuk) kan een onderscheid gemaakt worden tussen learning in religion, learning about religion en learning from religion. Deze drie benaderingen corresponderen respectievelijk met monoreligieus, multireligieus en interreligieus leren.
Daar wordt in het vierde hoofdstuk nog een benadering aan toegevoegd, namelijk learning for religion. Het idee is dat er in de mens een religieus verlangen schuilt dat bij gelegenheid naar boven komt en dat mensen verrijkt indien er woorden aan gegeven worden. Zo kan een popsong van Madonna een diepere laag aanboren bij mensen op het moment dat zij een kruis neerzet in de concertzaal. Deze concrete casus wordt in het boek besproken. In deze benadering is religie vooral immanente transcendentie: zingeving met behulp van religieuze begrippen. Vorig jaar is dat ook in een discussie tussen Harry Kunneman en Frits de Lange naar voren gekomen (Trouw). Kunneman verdedigde het gebruik van religieuze begrippen voor zingeving, terwijl De Lange het benoemde als ‘religieus pootjebaden’ (misbruik van godsdienstige begrippen).
Pluraliteit
Volgens Van de Donk mag religieuze pluraliteit niet leiden tot lauwheid en verwaarlozing van de aandacht voor religie in het onderwijs. ,,In bestuurlijke zin zou elke school een bijzondere moeten zijn, met het liefst een eigen bestuur, dat daar waar de situatie daartoe aanleiding geeft, ook best multireligieus mag zijn samengesteld. Er moet in ieder geval ook een gedegen programma zijn dat veel meer verplichtend dan nu het geval is voorziet in de education about religion. Dit op álle scholen, openbaar of orthodox christelijk’’. Er moet volgens Van de Donk ruimte blijven voor ,,onderwijs dat de strikt cognitieve dimensies van onderwijs about religion overstijgt (een pluspakket, zo u wilt), waarin aandacht is voor education from en waar gewenst ook vormen van education into religion door de verschillende religieuze tradities worden aangeboden, al dan niet verzorgd door een kerkgenootschap of een andere zogenaamde zendende instantie”.
Maar over education in religion, oftewel monoreligieuze vorming, wordt weinig gezegd in het nieuwe handboek. De godsdienstpedagogiek bestaat niet alleen uit het beschrijven van de empirische werkelijkheid maar ook uit het duiden van ‘wat waard is om na te streven’. Dat maakt de godsdienstpedagogiek tot een discipline met een normatieve oriëntatie. Het handboek in zijn geheel biedt deze oriëntatie echter niet. De lezer wordt daarentegen door het hele boek heen uitgedaagd een eigen positie in te nemen.
Het taakveld van de godsdienstpedagogiek is, zo staat te lezen in het handboek, het wetenschappelijk bestuderen van religieuze opvoedings- en vormingsprocessen in hun verschillende contexten (gezin, school en religieuze gemeenschappen, zoals de kerk) en in hun onderlinge (on)afhankelijkheid. Wat opvalt aan het handboek godsdienstpedagogiek is dat de diverse auteurs bijna uitsluitend focussen op opvoedings- en vormingsprocessen in de context van de school. Met deze focus verdwijnt evenwel het zicht op de andere contexten (gezin en religieuze gemeenschap) én op de onderlinge verbanden tussen de vormende contexten. Hier ligt dus een actuele uitdaging voor godsdienstpedagogen om monoreligieuze vorming in het onderwijs nader te doordenken in relatie tot een multireligieuze samenlevingscontext én in relatie tot een gefragmenteerd geheel aan andere vormende contexten om jongeren heen. Een doordenking die dieper gaat dan het handboek van E.T. Alii nu biedt.
Dr. A. de Muynck is Lector Onderwijs & Identiteit aan Hogeschool Driestar, dr. A. de Kock is studieleider van de master Leren & Innoveren van Hogeschool Driestar.
Van de Donk, W., Religie en onderwijs. Over ver-houdingen en verbindingen in het publieke domein. Rede uitgesproken bij de opening van het academisch jaar 2009/2010 aan de Protestantse Theologische Universiteit, 8 september 2009.
Alii, E.T., Godsdienstpedagogiek. Dimensies en spanningsvelden, 224 pag. e 23,50, Meinema, Zoetermeer, 2009. |