|
Wanneer wij van mening zijn dat onze tijd behoefte heeft aan vrije denkers die bovendien meesters van de taal zijn, dan stemmen de gedachten van de Engelse psychiater Theodore Dalrymple ons tot dankbaarheid. Dalrymple is een zeer kritische geest, maar hij is in zijn scherpe polemieken het tegendeel van een azijnzure criticaster. Humor is deel van alles wat hij schrijft.
Een van de hoofdstukken uit Dalrymple’s nieuwe boek draagt de titel ‘Wat de nieuwe atheïsten niet begrijpen’. In dit hoofdstuk passeren de filosofen Daniel Dennett, A.C. Grayling, Michel Onfray en Sam Harris, de bioloog Richard Dawkins en de journalist Christopher Hitchens de revue. Dalrymple ontmaskert de stijl van Dennett door diens gebruik van beelden te analyseren. Daarna komt hij op Dawkins te spreken: ,,Dennett is niet de enige atheïst die zich van religieus taalgebruik bedient. In God als misvatting citeert Richard Dawkins instemmend een nieuwe serie Tien Geboden voor atheïsten, die hij van een atheïstische website haalde, zonder zich er ook maar in het minst over te verbazen dat atheïsten überhaupt geboden nodig hebben, laat staan het precieze getal van tien; ook baart de metafysische status ervan hem geen enkele zorg. Het laatste van de Tien Geboden voor atheïsten eindigt als volgt: ‘Twijfel aan alles.’ Aan alles? Ook aan de noodzaak om aan alles te twijfelen, enzovoort, ad infinitum?’’ (p. 227)
Dalrymple was arts in een Londense volkswijk en psychiater in een Engelse gevangenis. Uit het voor mij liggende boek Profeten en charlatans. Hoe schrijvers ons de wereld laten zien blijkt zijn grote belangstelling voor psychische afwijkingen, voor de achtergrond van deze afwijkingen en ten slotte heel in het bijzonder voor de visie op de behandeling ervan binnen de psychiatrie en de filosofie. De betrokkenheid van de filosofie bij het denken over psychische afwijkingen en de houding van de samenleving komt bij Michel Foucault aan de oppervlakte. In het hoofdstuk ‘In het gesticht’ richt Dalrymple zijn pijlen op Foucault en diens overtuiging dat psychiatrische instellingen uitdrukkingen zijn van de wil tot macht van de samenleving en daarmee een soort gruwelkamers: ,,Dergelijke ideeën maakten de weg vrij voor een ondoordachte, gehaaste deïnstitutionalisering van de geesteszieken. Dankzij effectieve behandelmethodes namen de aantallen mensen die voor institutionalisering in aanmerking kwamen toch al af; politici hoopten door deïnstitutionalisering geld te kunnen besparen en toonden zich maar al te bereid om te geloven dat geesteszieke mensen vrijwel geheel zonder instellingen konden worden behandeld; en ten slotte nam ook de kritiek à la Foucault – dat de samenleving niet het recht had om de bewegingsvrijheid van krankzinnigen in te perken – bezit van het algemene bewustzijn. Krankzinnigen hadden het recht om over straat te zwerven, en andere burgers hadden de plicht om zich dat te laten welgevallen’’ (p. 103). De toevoeging dat Foucault als sadomasochist aan aids stierf, vind ik buiten de orde van Dalrymple’s vertoog.
Mij als letterkundige bezorgden vooral Dalrymple’s beschouwingen van de literatuur rode oren. Hij trekt zich geen lor aan van gevestigde manieren van uitleg van literaire werken en geeft zijn visie fris van de lever. Een voorbeeld is de roman A Clockwork Orange van de Engelse schrijver Anthony Burgess. Dit boek, dat door de verfilming door Stanley Kubrick een soort cultstatus heeft verkregen, beschouwt Dalrymple op goede gronden als een profetisch, waarschuwend boek over de oppervlakkige, waardeloze en gewelddadige jeugdcultuur van onze tijd: ,,En wat Engeland betreft had Burgess in elk geval zeker gelijk. Hij bracht wat hij zag in de eerste manifestaties van de opkomende popmuziek-jeugdcultuur over naar een toekomst waarin de zelfbeheersing tot het verdwijnpunt was gekrompen (…). Zoals alle profeten overdreef hij sterk; maar een kortstondig verblijf in een Engelse achterstandswijk kan iedereen overtuigen dat hij er niet ver naast zat’’ (p. 28). Deze gedachten zet Dalrymple voort in zijn bespreking van de roman De tijdmachine van H.G. Wells. Hij ziet in deze roman over het volk van de Eloi dat geterroriseerd wordt door het nachtelijke volk van de Morlocks een parabel van de ontwikkelingen binnen de Engelse samenleving van de laatste dertig jaar. De correctie op de parabel houdt in dat Dalrymple in Engeland niet zo’n scherpe scheidslijn tussen de frivole elite en het wrede volk waarneemt, omdat ,,de elite zelf, zij het uit lafheid of uit overtuiging, steeds meer kenmerken en gewoonten overneemt van het volk waarover het de leiding heeft’’ (p. 39).
De kracht van Theodore Dalrymple is dat hij niets voor zoete koek slikt en alle dingen zelfstandig onderzoekt. Zijn mening over schrijvers en hun werk is vaak zeer uitgesproken. Ik voel me af en toe geroepen om hem tegen te spreken, bijvoorbeeld wanneer hij met de psychoanalyticus C.G. Jung de vloer wil aanvegen in het hoofdstuk ‘Carl Jung: de madame Blavatsky van de psychotherapie’. Met zijn oordeel over Khalil Gibran als valse profeet stem ik daarentegen volledig in.
Theodore Dalrymple, Profeten en charlatans. Hoe schrijvers ons de wereld laten zien, Samenstelling, inleiding en vertaling door Jabik Veenbaas, 376 pag., uitgeverij Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2009, € 24,95
|