|
Secularisatie lijkt een onomkeerbaar proces. De morele pijlers onder onze westerse beschaving vallen weg en er komt niets voor in de plaats. Een fascistische opleving is daarom niet onwaarschijnlijk, aldus Theodore Dalrymple, een profeet die in zijn vaderland niet wordt geëerd maar in Nederland en de Verenigde Staten een luisterend oor vindt.
Theodore Dalrymple (geboren 1949) is het pseudoniem van de arts/psychiater/schrijver Anthony Daniels. Dalrymple heeft in vier werelddelen gewerkt als arts en psychiater: Europa, Amerika, Afrika, Latijns-Amerika. Als arts werkte hij in ontwikkelingslanden als Tanzania en Zimbabwe. Voordat hij zich in 2005 fulltime als schrijver vestigde, was Dalrymple psychiater in een Britse achterstandswijk en een gevangenis.
Het werk van Dalrymple werd voor Nederland ontsloten door Chris Rutenfrans, redacteur bij Trouw. In 2004 vertaalde hij samen met Yoram Stein het eerste boek uit het Engels dat verscheen onder de titel ‘Leven aan de onderkant’.
Artikelen van Theodore Dalrymple verschijnen regelmatig in onder andere De Volkskrant, Trouw, NRC Handelsblad, HP/De Tijd, Opinio en Elsevier.
Hieronder een interview dat we schriftelijk met Dalrymple konden afnemen, dat wil zeggen in één ronde met vragen en één ronde met antwoorden. Er was dus geen mogelijkheid voor interactie en doorvragen op antwoorden. Vandaar dat de tekst wat staccato aandoet.
Persoonlijk
Toen onlangs aan twee Nederlandse ministers (Verhagen van Buitenlandse Zaken en Van Middelkoop van Defensie) gevraagd werd welk boek ze op dat moment lazen, antwoordden beiden dat ze een boek van u op hun nachtkastje hadden liggen. Merkt u iets van invloed?
Ik denk niet dat ik enige invloed heb in de zin dat ik macht uitoefen. En ik ben daarin ook niet bijzonder geïnteresseerd. Misschien dat ik een of twee mensen geholpen heb bij het nadenken over sociale problemen. Ik denk niet dat er Britse ministers zijn die mijn boeken op hun nachtkastje hebben liggen, dus ik voel mij vereerd dat er Nederlandse ministers zijn bij wie dat wel het geval is.
Waarom bent u eerder dan normaal met uw werk als arts gestopt. U was toch vrij succesvol?
Ik besloot te stoppen op het moment dat ik nog steeds aardigheid had in mijn werk en ik me nog bevond in de kracht van mijn werkzame leven. De administratieve taken werden steeds absurder en meer en meer deprimerend, en ik wilde niet dat de herinneringen aan mijn laatste jaren als arts vertroebeld zouden worden door de ervaring van een almaar uitdijend administratief gekkenhuis. Het is bovendien een feit dat mensen die zo lang mogelijk wachten met hun pensionering een verminderde levensverwachting hebben.
Hoe kijkt u terug op uw tijd als gevangenispsychiater? Was het de moeite waard? Bent u erdoor veranderd?
Mijn werkervaring in de gevangenis (en het ernaast gelegen ziekenhuis) heeft mijn leven inderdaad veranderd. Het maakte dat ik me intensief ging bezighouden – wellicht op het obsessieve af – met de effecten van sociaal beleid op de armste en meest kwetsbare bevolkingsgroepen. Ik kreeg een grote afkeer van de onbenullige ijdelheid van intellectuelen en hun recht praten van wat krom is. Zij nemen niet de moeite om de akelige realiteit onder ogen te zien.
U bent Jood van geboorte en een veelbereisd man. Is het Jood-zijn belangrijk voor u?
Het Jood-zijn is niet erg belangrijk voor me geweest, behalve in de zin dat het me misschien extra bewust heeft gemaakt van de menselijke mogelijkheden om kwaad te doen (mijn moeder was een vluchtelinge voor de Duitse nazi’s).
Over psychiatrie en psychoanalyse
In uw werk kom je nauwelijks een argumentatie, voorstelling of gedachte tegen die ontleend lijkt aan de grondleggers van de psychoanalyse. Wat betekent de psychoanalyse voor u?
Psychoanalyse is niet erg belangrijk voor me geweest. Ik heb de psychoanalytische methoden en theorieën altijd vergezocht gevonden en het ondersteunende bewijsmateriaal nogal mager, om het zacht uit te drukken.
U schreef ergens: “Ressentiment is een emotie waar je nooit vergeefs een beroep op doet.’’ Fascisme, nazisme, communisme hebben er allemaal van geprofiteerd. Hoe komt het dat ressentiment onbeperkt voorradig lijkt te zijn?
Ik denk dat ressentiment bewust kan worden gecultiveerd door degenen die er voordeel bij denken te hebben en daarom denk ik niet dat er een vaststaande hoeveelheid van beschikbaar is. Maar ressentiment blijft altijd verleidelijk omdat het, hoewel het onaangenaam is, altijd iets troostends en opwekkends heeft voor wie het voelt.
Over metafysica en christendom
Samuel Beckett deed ooit de memorabele uitspraak, ‘God bestaat niet – de smeerlap!’ U schreef daarover: “Becketts prachtige uitbarsting van ontgoochelde woede suggereert dat het niet zo eenvoudig is als je zou denken om je te bevrijden van de godsidee. (Misschien is dit het moment om te verklaren dat ik zelf geen gelovige ben.) De zin van Beckett impliceert toch wel op z’n allerminst dat het bestaan van God een bepaald probleem zou oplossen – en dat is eigenlijk een heel diepzinnig probleem: het transcendente doel van het menselijke bestaan.” Maar hoe kunnen we over dit diepzinnige probleem praten zonder een God aan te nemen? Met andere woorden: is het mogelijk om jezelf aan je eigen haren uit het moeras te trekken?
Ik denk dat het de moeilijke positie is van de moderne mens dat hij zichzelf aan zijn eigen haren uit het moeras moet trekken, maar toch lukt hem dat niet om voor de hand liggende redenen. Er is nu eenmaal een tegenstelling tussen wat nodig en wat mogelijk is.
Morele opvattingen en levensdoelen geven zin aan het bestaan. Maar wie kan vaststellen wat goed is en wat fout vanuit een immanent gezichtspunt?
Ik ben onvoldoende een filosoof om overtuigende antwoorden te geven op vragen over de metafysica van de ethiek (ik ben er overigens niet zeker van of enig filosoof dat ooit al wel heeft gedaan). Ik heb geen betere theorie over de metafysica van de ethiek dan een ander.
U schreef: “Ook al is het waar dat een religieuze overtuiging niet synoniem is met goed gedrag, hetzelfde geldt voor afwezigheid van geloof, om het zacht uit te drukken.’’ Christenen gedragen zich niet beter, geheel akkoord, maar misschien hebben de christenen wel een beter verhaal?
De morele kwaliteiten van een persoon die bepaalde overtuigingen is toegedaan geven op zichzelf genomen geen aanwijzing voor het waarheidsgehalte van die overtuigingen. Ik heb bijvoorbeeld opgemerkt dat spiritisten fatsoenlijke, vriendelijke en sympathieke mensen zijn; maar dat betekent niet dat ze ook werkelijk in contact staan met de doden.
Conservatieven prijzen het christendom nogal eens om de samenbindende werking die het heeft, omdat het moreel zowel volhardend als flexibel is, liefdadigheid bevordert, een lange adem heeft en voor stabiliteit zorgt. Is het mogelijk om deze eigenschappen te prijzen zonder sympathie te ontwikkelen voor de metafysische voorstellingen en intellectuele inhoud van het christendom?
Ik denk dat het op termijn moeilijk is om de sociale deugden van het christendom hoog te houden zonder enig geloof in de christelijke grondbeginselen. De eerste en tweede generaties van postreligieuze mensen hebben nog enig besef van en misschien binding met religie; in zekere zin leven zij op geërfd moreel kapitaal. Maar na meer dan twee generaties is dit kapitaal verbruikt.
Over het kwaad
De mens is een gevallen schepsel. Herkent u de gevoelens van Paulus: “Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” (Romeinen 7:24)
Ik denk dat de mens een gevallen schepsel is, niet in die zin dat hij ooit volmaakt was, maar omdat hij altijd het vermogen in zich heeft om kwaad te doen, iets wat zowel aangemoedigd als ontmoedigd kan worden (dit geldt ook voor mijzelf, natuurlijk). Ik geloof niet in het rousseauiaanse idee dat in afwezigheid van de misvormende invloed van de maatschappij de mens volmaakt goed zou zijn. Het vermogen om kwaad te doen gaat veel dieper dan deze opvatting veronderstelt. Dat is waarom de metafoor van de erfzonde mij aanspreekt.
Waarom doen mensen goed (bijvoorbeeld de altruïstische Britse chirurg met wie u werkte in Rhodesië)?
Als mensen goed zijn van nature, dat wil zeggen, vanwege de zachtmoedigheid van hun aard, en zonder dat ze daarvoor bijzondere inspanningen hoeven te doen, kun je ze dan werkelijk goed noemen? Als ze niet al te veel hoeven te vechten tegen de verleiding om kwaad te doen, zijn ze dan werkelijk goed? Ik denk dat het antwoord gelegen is in het feit dat het goede een gewoonte wordt in degenen die het praktiseren; hetzelfde geldt voor het kwaad. Wie eenmaal besloten heeft zich netjes te gedragen, merkt dat het een gewoonte wordt, en daarmee wijkt de verleiding van het kwaad.
De morele kloof tussen wat we zijn en wat we behoren te zijn lijkt structureel. Is er iets dat deze kloof kan dichten als de christelijke leerstellingen niet gelden?
Ik heb geen algemene voorschriften om mensen goed te maken of althans ietsje beter dan ze zijn. Ik heb een paar ideeën over hoe manifest kwaad kan worden beteugeld, maar deze gaan erg sterk in tegen de geest van de tijd. In ieder geval is het zo dat het christendom in Groot-Brittannië (ik weet niet hoe het in Holland is) zozeer is ondermijnd door intellectuele kritiek dat ik niet zie hoe het zich er ooit van kan herstellen of hoe het weer geaccepteerd kan worden als de basis waarop onze maatschappij is gefundeerd.
Hoe kunnen we mensen weer leren verantwoordelijkheid te dragen voor hun leven, wanneer ‘de frivoliteit van het kwaad’ – zoals u het noemt – zo wijdverbreid is? Hoe kun je mensen leren rekening te houden met andermans belangen, als ze daarvan nooit een voorbeeld (bijvoorbeeld van hun ouders) hebben gezien?
Ik denk dat het terugdraaien van bepaalde hervormingen van de afgelopen vijftig jaar kan helpen. Om iets te noemen, ik geloof dat we moeten ophouden te pretenderen dat het niet uitmaakt in welke gezinsomstandigheden kinderen opgroeien, en dat daarom de staat neutraal dient te staan tegenover het soort gezinsomstandigheden dat hij aanmoedigt. Waar de staat de gevolgen van egocentrisch en onnadenkend gedrag heeft weggenomen, zou het sommige van die gevolgen weer in ere kunnen herstellen. Maar de staat heeft slechts een beperkte rol te spelen; het is mijn overtuiging dat intellectuelen, die uiteindelijk toch de leiders van de maatschappij zijn, een verantwoordelijkheid hebben om eens te beseffen wat er, vaak als gevolg van hun ideeën, gebeurd is. Dit doen zij niet, in ieder geval niet in Groot-Brittannië. Maar elke verbetering is altijd een langzaam veranderingsproces; het is een beetje als een roerei dat je weer terug probeert te krijgen in z’n schil.
Uw patiënten noemen zichzelf vaak ‘depressief’ terwijl u vaststelt dat ze gewoon ongelukkig zijn en niet weten hoe ze moeten leven. Ze willen echter niet nadenken over hun leven; ze willen een pilletje. Waarom?
Het probleem met pillen tegen ongelukkig zijn is dat ze ongelukkig zijn veranderen in iets dat je overkomt terwijl dat vaak het gevolg is van je manier van leven (uiteraard kan ongelukkig zijn soms het gevolg zijn van omstandigheden buiten je macht). Het bovenmatig voorschrijven van pillen is schadelijk omdat het de mensen belet om de heilzame werking van nadenken te ondergaan.
Over de maatschappij
De regel van John Stuart Mill om anderen niet te schaden is niet helemaal adequaat, behalve voor Robinson Crusoe, omdat we allemaal sociale wezens zijn die leven in sociale netwerken. Welk alternatief zou u willen voorstellen?
Ik geloof niet dat ik beschik over een volledig uitgewerkte theorie die kan gelden als een alternatief voor de theorie van J.S. Mill, en die uitgedrukt kan worden, zoals Mills theorie, in een paar eenvoudige stellingen. Overigens ben ik een groot bewonderaar van Mill als schrijver en als mens.
U hebt Mao ‘de grootste verslavingstherapeut in de geschiedenis’ genoemd. De enige manier om mensen van het kwaad te weerhouden lijkt het afnemen van hun vrijheid te zijn. Maar dat is onmenselijk. Is er een alternatief voor het bestrijden van kwaad met kwaad?
Ik heb het historische voorbeeld van Mao gebruikt, niet om het te propageren, maar omdat ik duidelijk verschil wilde maken tussen fysieke toestanden die met een wilsinspanning konden worden genezen (heroïneverslaving) en fysieke toestanden waarvoor dat niet gold (blindedarm). Ik zou dit willen zeggen: we moeten altijd oppassen dat het middel niet erger is dan de kwaal. Misschien is het mogelijk om mensen ervan te weerhouden om te parkeren op plaatsen waar dat is verboden door overtreders publiekelijk te martelen (dat zou zeker een hoop geld opleveren); maar het probleem dat daarmee zou worden opgelost is erg triviaal vergeleken met de gebruikte methode.
In uw boek ‘Leve het vooroordeel!’ ontwikkelt u een overtuigende gedachtegang ten gunste van vooringenomen ideeën. Maar omdat veel instituties en tradities zijn verdwenen de afgelopen vijftig jaar, is het toch moeilijk te zien waar culturele vernieuwing zou moeten beginnen. Bent u optimistischer dan wij?
Ik weet niet hoe pessimistisch u bent, maar ik ben vrij pessimistisch. Ik denk dat een onvervalste verschrikkelijke tegenbeweging naar een autoritaire staatsvorm bijvoorbeeld goed denkbaar is. Maar ook dat middel zal erger blijken te zijn dan de kwaal.
Oude mensen klagen vaak over de maatschappij, de teloorgang van verworvenheden uit het verleden, de jeugd van tegenwoordig, enzovoorts. En u doet dat ook. Maar u bent nooit klagerig, saai, vervelend. Wat is uw geheim?
Dank u voor het compliment dat ik nooit saai en vervelend ben. Niet iedereen is het daarmee eens. Onlangs schreef iemand in een Brits tijdschrift dat ik het ergste gevolg was van de gebeurtenissen van 1968. Gek genoeg geniet ik zeer van mijn leven, en er is veel dat grappig is, zelfs in de akeligste aspecten van het moderne leven. Als er een patiënt bij je komt die zojuist iemand anders in stukken heeft gehakt, met de woorden ‘mij kun je er goed bij hebben in gezelschap’– hoe kun je dan geen plezier hebben?
Oeuvre
- Coups and Cocaine: Two Journeys in South America (1986)
- Fool or Physician: The Memoirs of a Sceptical Doctor (1987)
- Zanzibar to Timbuktu’ (1988)
- Sweet Waist of America: Journeys around Guatemala (1990)
- The Wilder Shores of Marx: Journeys in a Vanishing World (verschenen in de vs als Utopias Elsewhere) (1991)
- Monrovia Mon Amour: A Visit to Liberia (1992)
- If Symptoms Persist: Anecdotes from a Doctor (1995)
- So Little Done: The Testament of a Serial Killer (1996)
- If Symptoms Still Persist (1997)
- Mass Listeria: The Meaning of Health Scares (1998)
- An Intelligent Person’s Guide to Medicine (2001)
- Life at the Bottom: The Worldview That Makes the Underclass (2001)
- Romancing Opiates: Pharmacological Lies And The Addiction Bureaucracy (2005)
- Our Culture, What’s Left of It: The Mandarins and the Masses (2005)
- Romancing Opiates: Pharmacological Lies And The Addiction Bureaucracy (2006)
- In Praise of Prejudice: The Necessity of Preconceived Ideas (2007)
Verschenen in het Nederlands:
- Leven aan de onderkant, uitgeverij Spectrum (2004)
- Beschaving of wat er van over is, uitgeverij Nieuw Amsterdam (2005)
- Drugs, de mythes en de leugens, uitgeverij Nieuw Amsterdam (2006)
- De filantroop, testament van een seriemoordenaar, uitgeverij Nieuw Amsterdam (2007)
- Leve het vooroordeel!, uitgeverij Nieuw Amsterdam (zomer 2008)
(Bron: Wikipedia)
Arie Sonneveld was tot voor kort hoofd van de afdeling Acquisitie, Catalogisering en Metadatabeheer van de Leidse Universiteitsbibliotheek. Hij werkt nu als zelfstandig redacteur en vertaler. |